donderdag 30 april 2015

Morgen bloeit het Fluitenkruid

26 april
 
Pioenrozen staan op de vaas, het groene blad aan de oude beukenboom in het schijnsel van de ondergaande zon verblindt me bijna en ik heb zelfs al zwaluwen geteld. Naast het landweggetje waar ik loop drijft het kikkerdril in de sloot, de knoppen van het Fluitenkruid staan op uitbarsten, zwanger van nieuwe bloemen. Wat een heerlijke tijd is dit toch. Elk jaar weer geniet ik ervan, nieuw leven, nieuwe kansen. Een mooie tijd ligt in het verschiet. Morgen is het Koningsdag, de tweede alweer. Het zou ook de verjaardag van mijn oom  geweest zijn wanneer hij nog geleefd had. Een oom die mij dierbaar was. Hij had het altijd moeilijk in deze tijd. Want dat is het ook, een moeilijke tijd. Een verwarrende tijd. Vier en vijf mei nadert en daarmee de herinneringen. Herinneringen aan de gruwelijkheden, aan de dood. Herinneringen aan een oorlog, onze oorlog. Zijn oorlog, op een avond toen we samen een paar wijntjes gedronken hadden -hij wat meer dan ik- stond mijn oom het zichzelf toe om een fractie van zijn gruwelijke herinneringen met mij te delen en hij gaf mij een boek van Ludo van Eck, ‘De Getekenden’  over de Tweede Wereldoorlog. Op de eerste pagina schreef mijn oom de volgende tekst. Hij ondertekende met zijn schuilnaam.
Nooit vergeten, wel vergeven, nooit vergeven, wel vergeten’
Philip
Nooit vergeten! Zeventig jaar vrijheid vieren we dit jaar. De roep om nooit te vergeten is ijler geworden, maar ook dwingender. De generatie die de oorlog aan de lijve heeft ondervonden sterft uit. Nu is het aan ons, de volgende generatie om de boodschap en daarmee de waarschuwing van onze ouders door te geven.
In de jaren na de oorlog is er hard gewerkt om weer een bestaan op te bouwen. We zijn nu één van de rijkste landen ter wereld. Werk was er in overvloed, zo veel zelfs dat er een tekort ontstond aan arbeiders voor zwaar en ongeschoold werk. We lieten mensen uit landen in zuid Europa, Azië en Afrika komen. Gastarbeiders noemden we ze. De economie draaide als een tierelier, het kon niet op.
Nu zeventig jaar later krabbelen we op uit een crisis waarin we ontdekten dat de bomen niet tot in de hemel groeien. Er zijn grenzen aan wat kan. Toch is ons land en dat van onze buurlanden nog steeds een plek waar mensen naartoe willen, een veilige plek! Terwijl onze regering aan het ruziën is over ons 'Bed-, bad-en broodbeleid', komen mensen op de vlucht voor wreedheden in hun eigen land in gammele bootjes naar het Europese vaste land. Honderden lijken van vluchtelingen uit Libië en Syrië worden uit zee gevist en zijn er landgenoten die daarbij staan te juichen. Doodgewone mensen zoals jij en ik, ten prooi gevallen aan anarchie en mensenhandelaren. ‘Gelukzoekers’ worden ze genoemd. Nooit geweten dat zoeken naar geluk een doodzonde is. Te veel kleinkinderen van onze gastarbeiders van destijds staan in ons land perspectief –en werkloos aan de kant. Opgegroeid in een spagaat tussen twee culturen. Werkgevers lijken al jaren allergisch te zijn voor medewerkers met een niet Nederlandse achternaam. Een andere cultuur is ineens een belemmering geworden. Verbaasd en gechoqueerd zijn we dan wanneer die jongeren radicaliseren. Zeventig jaar vrijheid! Zou vrijheid niet universeel moeten zijn?
Misschien is het zo dat ik zaken uit hun context trek en op één hoop gooi, maar dat is wat er door mijn gedachten gaat , wandelend langs de sloot. 
Een mooie tijd, een verwarrende tijd!
Morgen bloeit het Fluitenkruid.
 
 

maandag 20 april 2015

Kinderleed



 


 
 
 
Dat er een hoop ellende en ongelijkheid in de wereld is dat weten we. Dat macht en rijkdom niet eerlijk verdeeld is ook niets nieuws. Gelukkig leven we niet in een dictatuur en kunnen we als volwassenen onze stem laten gelden. Niet dat dit  onmiddellijk tot het gewenste resultaat leidt, maar je kunt iets doen! Je hebt de mogelijkheid invloed uit te oefenen,  maar de machteloosheid die je voelt als het om kinderleed gaat is onbeschrijfelijk. Het overkwam mij gisteren tijdens een buurtbarbecue. Raar eigenlijk dat je barbecue met ‘bbq’ afkort terwijl het toch duidelijk met een C geschreven wordt. Dat schept verwarring heb ik gemerkt. Gelukkig tikt de spellingscontrole -mijn digitale schooljuf- me over mijn vingers met een onverbiddelijk rood lijntje, maar dit terzijde. De buurtbraai dus, de eerste dit jaar. Het idee is spontaan ontstaan bij twee buurmannen op de eerste zonovergoten dag van dit jaar. Een derde -een buurvrouw in dit geval-  bemoeit zich ermee en maakt een burenapp. Al snel worden ideeën uitgewisseld en andere buren uitgenodigd. De conversatie op de app is al gezellig dus het belooft een gezellige middag te worden. Geen overgeorganiseerd  gedoe! Iedereen haalt gewoon wat uit de kast wat hij of zij wil delen. Een paar uitslovers maken een salade en al snel hebben we een tafel vol met heerlijkheden. Tafels en stoelen worden aangerukt . Frisdrank, wijn en bier staan koud. De kinderen vermaken zich best met elkaar,  de diverse speelattributen die zijn aangerukt helpen daarbij ook een handje. Natuurlijk duurt het niet lang voordat we met onze mobieltjes de sfeer in de door ons tot ‘gezelligste straatje van Nederland’ benoemde steeg hebben vastgelegd. En dan is het er ineens, Kinderleed! Eén van de buurmeisjes laat het onderwerp en passant vallen, ergens tussen de frikadellen en marshmallows. Een voorbeeld van een schrijnend onderscheid tussen kinderen die wel en niet over de mogelijkheid beschikken. Ik sta perplex. Wat kun je doen is zo’n geval? Het valt buiten hun beïnvloedingsfeer, dus de plaatselijke politiek aanspreken heeft geen zin. Connecties in Den Haag en Europa aanspreken? Buiten het feit dat ik ze niet heb, vraag ik me af of zij er iets aan kunnen doen.  Neelie Kroes zit er niet meer. Jammer, ik had haar ertoe in staat geacht. De Verenigde naties dan maar?
Het pijnlijkst van alles is het stigma waar die arme kinderen mee te maken  krijgen. Maar alsof de kinderen dat aangevoeld hebben wordt het fenomeen niet genoemd naar de arme sloebers, maar zijn juist de gelukkigen de naamgevers aan het probleem. Net als Konings-en of zondagskinderen als het ware. Wanneer je als Koningskind wordt geboren weet je dat je tot de gelukkigen van deze wereld behoort, maar het onderscheid je wel.  Hetzelfde is het geval met de ‘Samsungkinderen’ waar mijn buurmeisje het over heeft.  ‘Waarom noem je die kinderen Samsungkinderen?’ vraagt haar moeder. ‘Alleen kinderen met een Samsung kunnen bellen met what’s-App mam. I-Phonekinderen kunnen dat niet!

Als dat niet zielig is?!                                                            
 
 


zaterdag 21 maart 2015

Dansende poppen

 
Warning! Don’t try this @home
 
Help! Dansende poppen!
Ik ben bang dat ik vandaag niet meer kan stoppen.
Dat krijg je wanneer je, je ’s morgens vroeg op het internet verdiept in een Limerick,
ja natuurlijk via het world wide web, wat poëzie betreft ben ik niet zo’n slimmerik.
Aabba is het rijmschema.
aan het eind een grappig thema,
in de eerste regel van het gedicht,
is een plaatsnaam haast verplicht
Kom je uit Assen,
moet je plassen.
Kom je uit Meppel,
val je in een greppel.
en in Zwolle
ben je als snel een bolle.
Ik wil echter een rijmwoord op Deventer weten
maar dat kan ik het wel vergeten
Hoe  kan ik nu met goed fatsoen
mijn wekelijkse boodschappen nog doen?
Ik heb zin in spruiten,
maar die zijn vast niet goed voor mijn kuiten
Oké, als groente neem ik dan wel lof
dat vind ik ook wel tof.
de keuze van het vlees
valt waarschijnlijk op een blinde mees.
dit is natuurlijk een vink
(dit creatief gedrocht zuig ik dan ook uit mijn pink)
Ook weer niet goed Rivlekt!, dit moet zijn duim!
dat is balen, weer geen pluim!
Ik vrees dat ik vandaag blijf dichten
zonder een hemdje op te lichten.
Waar is in hemelsnaam  die olifant met die lange snuit?
UIT!
 
 
 


vrijdag 20 maart 2015

Terugblikken en koektrommels

 

Op sociale media zie ik een ouderwetse koekjestrommel voorbijkomen. Wie bekend is op Facebook kent ze vast, de nostalgiepagina’s. Foto’s van herkenbare spullen uit vervlogen tijden passeren de revue. Een bakelieten telefoon, één van de eerste televisietoestellen, een rotan stoeltje, rieten onderzetters, een bamboe plantenstandaard uit de jaren zestig, ga zo maar door. Ik neem het allemaal voor kennisgeving aan. Ik heb er niet zo veel mee, ik kijk nu eenmaal  liever vooruit dan achterom. Met deze koekjestrommel is het anders.

Ik herken de trommel onmiddellijk, de geschulpte rand de zachtroze bloemetjes met de pastelkleurige blaadjes die er als een soort aquarel opgeschilderd lijken te zijn. Degene die de foto gepost heeft, stelt in zijn bijschrift de vraag aan de lezer welke koekjes er in onze trommels werden bewaard. Nieuwsgierig bekijk ik de reacties. Arnhemse meisjes, Brusselse Kermis, Katwijkse knippen, Amsterdamse Koggetjes, Jan Steentjes en moppen uit Weesp en Dalfsen. Alleen de namen maken het al gezellig. Het was juist deze opsomming die mij ertoe bracht om met mijn ‘Jan Hagel’ ook een duit in het zakje te doen, waarmee ik de nostalgie verspreid, want zo werkt dat op Facebook.  Niet lang daarna stuurt één van mijn Facebookvrienden een fotootje waaruit blijkt dat zij dezelfde koekjestrommel nog steeds in gebruik heeft.
Juist dat plaatje van de oude trommel op die moderne tafel confronteert mij enorm met mijzelf. Waar is ons exemplaar eigenlijk gebleven?

Ineens zat ik weer samen met mijn moeder aan tafel. Net uit school, mijn jas aan de kapstok gehangen en de pukkel -waar moeder een hekel aan had, maar die ik reuze stoer vond met het vredesteken en alle teksten die ik erop had gekliederd- in een hoekje gegooid. De theepot stond op het lichtje en de kopjes stonden klaar. De doordeweekse wel te verstaan, de mooie Royal Albert’s prijkten achten het glas en waren voor de visite. De koekjestrommel stond op tafel, mokkastaafjes waren het dit keer. Terwijl we onze thee –met een druppeltje rum- dronken, babbelden we over de dag, haar dag, mijn dag. Intussen brak ik een mokkastaafje doormidden en likte het mokka er tussenuit, lekker!  
Ik zie de grote woonkamer voor me. Mooi ingericht, maar nooit mijn smaak geweest. Veel te klassiek vond ik. Waar zou de koekjestrommel gebleven zijn vraag ik me opnieuw af. Ik kijk mijn eigen woonkamer rond en realiseer me dat ik op een paar oude aanstekers, een paar pennen van mijn vader, een oud exemplaar van de Camera Obscura van mijn opa, twee antieke koperen akers eigenlijk helemaal niets meer heb van thuis en voor het eerst steekt me dat.

In de periode dat mijn moeder opgenomen werd in een verpleeghuis, waren een oom en tante op zoek naar een huis. Mijn ouderlijk huis moest verkocht worden en zij hadden er wel belang bij, dat kwam goed uit! Gelijkertijd ging een andere tante scheiden. Ze had huisraad nodig en in het huis van mijn moeder was genoeg. Mijn smaak was het toch niet en broers en zussen om mee te delen heb ik niet, dus kozen we opnieuw voor een praktische oplossing. Ze mocht meenemen ze wilde. Het overige zou door de kringloop opgehaald worden. Haar zoon, mijn neef,  woonde in de buurt. Ik niet, dus hij zou het regelen. Een week later was het huis leeg en konden mijn andere oom en tante er in. Heel efficiënt, heel praktisch! Familie blij, wij blij. 
Opnieuw is een fase in mijn leven afgesloten.

De familiebezoekjes daarna waren in het begin een beetje raar. Bij de ene tante leek het alsof ik thuiskwam. Mijn jas hing ik aan onze oude kapstok zoals ik dat al jaren had gedaan. Ik nam plaats op de bank en zat zoals je dat doet wanneer je op visite bent, vroeger plofte ik neer en lag ik languit. Thee dronk ik uit de Royal Albert kopjes, ze waren nog steeds voor de visite. Op onze notenhouten ronde salontafel lag een kleedje dat mijn moeder had gehaakt en in het kristallen vaasje dat ik ooit mijn moeder cadeau had gedaan, had mijn tante fresia’s gezet, net als thuis. Bij de andere tante stapte ik letterlijk mijn ouderlijk huis in. Beetje vreemd, maar flink zijn en doorgaan.

Flink zijn en doorgaan was altijd het motto! Ook toen mijn vader overleed. Hij is drie weken ziek thuis geweest en moest daarna voor onderzoek naar het ziekenhuis. Hij moest blijven. Na een week kregen we de uitslag. Die was niet goed. Mijn moeder en ik zaten tegenover elkaar. Zij op de bank en ik met opgetrokken benen, verstopt tussen de oren van de grote stoel. Mijn moeder rookte en ik at mijn twintigste cracker. ‘Vanaf nu moeten we flink zijn, niet huilen als we bij papa zijn!’ zei ze.

Ik was zeventien toen we zijn doodvonnis hoorden. Drie weken later overleed hij, gehuild heb ik niet meer. Wel zijn we doorgegaan. Ik zat middenin mijn schoolexamens, ons motto was actueler dan ooit.

Ik slaagde, ging door en slaagde opnieuw. Vervolgens een baantje, een vriendje, nog een vriendje en nog één, trouwde, scheidde, trouwde opnieuw, ging weer aan de studie, bracht mijn moeder naar het verpleeghuis, slaagde, andere baan, nieuwe studie, slaagde, verloor mijn werk, bracht mijn man naar een verpleeghuis, haalde hem gelukkig na drie weken ook weer op,  nieuw baantje, nieuwe studie, slaagde opnieuw. Het oude motto is mijn tweede natuur geworden. Nu zit ik op de bank en prikken de tranen in mijn ogen als ik op facebook een oude koektrommel zie.

Misschien had ik af en toe eens stil moeten staan.

 
 


donderdag 29 januari 2015

Kunst, de ontdekking, de emotie en de absurditeit!





Het is al weer jaren gelden dat we op zoek waren naar nieuwe meubels. Het koopcontract is getekend. Ons huis zou over tweehonderd werkbare dagen klaar zijn. Een jaar de tijd dus om nieuw meubilair uit te zoeken. Het huidige was nodig aan vervanging toe. We hadden flink gespaard en besloten om van het uitzoeken en aanschaffen van onze nieuwe meubels een klein project te maken. Stad en land reizen we af. We hebben er zin in. Van Groningen naar Rotterdam, van Alkmaar, Beverwijk naar Eindhoven, Amsterdam, Zutphen je kunt het zo gek niet bedenken, noem een designwinkel en wij zijn er geweest. Van afstand herkennen we de diverse ontwerpers aan hun stijl en langzamerhand ontwikkelt zich een bepaalde voorkeur, maar we kopen nog niets. Tijd zat en wie weet komen we nog iets verrassends tegen.

Op een zaterdag zijn we in Deventer. Niets bijzonders, we komen er geregeld. Vaak combineren we een familiebezoekje met wat slenteren door het centrum en drinken we wat op één van de terrassen aan de Brink, zo ook vandaag. Het is druk in de stad. De parkeergarage bij de HEMA is vol. We nemen de volgende, iets verderop waardoor we in een deel van het centrum terechtkomen dat anders aan onze aandacht ontsnapt. Compleet verrast zijn we als we hier een meubelzaak aantreffen. Eentje met een opvallende uitstraling. Zonder te aarzelen stappen we naar binnen. De winkel oogt anders dan de meubelzaken die we tot nu toe bezocht hebben. Het is een klein maar diep pand dat met een trapje naar beneden uitkomt op een gezellige stadstuin. Geen eyecatchers van bekende merken bij binnenkomst, maar een kast met een aparte vormgeving weet ons te boeien. Nieuwsgierig geworden lopen we door het pand tot een bijzondere stoel mijn aandacht trekt. Mooi, maar uiterst ongemakkelijk, niet gemaakt om op te zitten. Verbaasd loop ik door, maar de stoel laat me niet los.
Waarom zou iemand een stoel ontwerpen waar je niet op wilt zitten? Ik loop terug om hem beter te bekijken. Voorzichtig raak ik de frêle stof van de rugleuning aan, lichtblauwe zijde. Ik zie de haaltjes in het tere materiaal die er overigens keurig geregisseerd in zijn aangebracht en bedenk hoe mijn twee katten erin hangen, maar al te graag bereid om er nog een paar halen – iets minder gecontroleerd- aan toe te voegen.

Met de stof losjes over de wijd gespreide armleuningen probeert de stoel mij te verleiden. Het materiaal van de zitting -een combinatie van messing en hout- en de vormgeving maakt dat die uitnodiging goed is te weerstaan, maar de afwerking is werkelijk prachtig. Het donkere hout is zo mooi behandeld dat het een exclusieve leersoort lijkt, het messing is warm gepolijst. Van de vier stoelpoten, zijn er twee met messing voetjes die behalve ondersteuning het sierlijke beeld compleet maken. Het is bijna erotiserend hoe ze daar voor ons staat. Het lijkt wel of ze danst. Gefascineerd sta ik naar de stoel kijken en ik denk helemaal niet meer aan meubels kopen, vergeet het materiaal en de praktische bezwaren. Een onbeschrijfelijk gevoel maakt zich van mij meester en dromerig zie ik hoe ze - net neergekomen uit een sprong- hurkend met uiteen gespreide knieën, balancerend op goudkleurige spitzen voor me staat. Door het dunne materiaal van de zwarte zacht glanzende maillot zie ik de spieren in haar slanke benen samenspannen. Met haar hoofd achterovergeworpen, aan het zicht onttrokken door de blauwe tutu danst ze voor me. Haar armen lijken de hele wereld te willen omvatten in een bras allongé. ‘Is hij niet prachtig?’ hoor ik een stem achter me zeggen. Geschrokken en enigszins gechoqueerd over de dromerige blik die ik in mijn ogen moet hebben, draai ik mij om. Met een iele stem zeg ik tegen de verkoopster dat ik onder de indruk ben van de stoel, maar dat het niet helemaal is wat we zoeken. We zoeken een comfortabele fauteuil en hoe mooi ook, deze voldoet niet dat criterium. Plaatsnemen op deze stoel lijkt eerder een vorm van zelfkastijding dan dat het enig comfort biedt. Een beetje beduusd verlaten we de winkel, geen van beiden zegt iets over de stoel. Pas ’s avonds op de terugweg durf ik de stoel ter sprake te brengen en wat die met me doet. Zonder de gevoelens onder woorden te kunnen brengen, constateer ik dat de stoel emoties losmaakt. In verwarring en de opwinding daarover besluiten we de week erop weer naar Deventer te gaan, maar morgen zal ik eerst naar de prijs informeren, want daar hebben we alle consternatie niet naar gevraagd.
Als ik de volgende dag de stoel met de rugleuning van blauwe zijde beschrijf, weet de eigenaresse van de winkel onmiddellijk wat ik bedoel ‘Oh, dat is ‘Bambi’ van Bořek Šípek!’ roept ze enthousiast uit. ‘Ja, is het geen plaatje? Prijs: 4500 gulden’ Beleefd bedank ik haar, maar als ik heb opgehangen roep ik gedesillusioneerd: ‘Én dat voor een stoel waar je niet op kunt zitten en de katten hoogstwaarschijnlijk in gaan hangen’ waarbij ik op onze versleten bank plof. Maar de stoel blijft fascineren en telkens wanneer we in Deventer zijn- en dat was in die periode opvallend vaak- vereren we Bambi met een bezoekje. De betovering blijft. Inmiddels heb ik me verdiept in de kunstenaar en wist ik dat zijn vrouw -die zoals je niet zal verbazen luistert naar de naam Bambi- voor de stoel model heeft gestaan. Ze was balletdanseres. De emotie die hij erin had gestopt was zijn liefde voor haar. Razend knap vind ik het dat een kunstenaar door zijn werk een zo een diepe emotie op een ander weet over te brengen.

Voor mij was het de ontdekking dat kunst daadwerkelijk emoties kan oproepen. Helaas ook met de absurditeit ervan. Maanden later -de stoel was inmiddels voor ons geen meubelstuk, maar een prachtig voorbeeld van functionele kunst- trokken wij de stoute schoenen aan. We zouden het doen, een stoel kopen waarop je niet kunt zitten.

Jammer, verkocht! De galeriehouder in Amsterdam kon die stoel -die in gelimiteerde oplage werd verkocht- nog wel leveren maar de prijs was inmiddels meer dan vervijfvoudigd. Later in de televisiedocumentaire over Bořek Šípek was te zien dat de laatste vrij verhandelbare Bambi voor 60 duizend dollar in Amerika was verkocht.

Ach, het is maar goed ook. Onze katten zouden geen leven meer gehad hebben.




Voor wie nieuwsgierig geworden is naar de stoel, zie http://sipek.com/

vrijdag 14 november 2014

Cuba 1993



Een sigaar bungelt in zijn rechter mondhoek, gelukkig brandt hij niet. Via de binnenspiegel houd ik de man angstvallig in de gaten. In zijn bruine ogen zie ik een ernstige blik. Af en toe kijkt hij naar de vloer rechts van hem. In een slakkengangetje rijden we over de Malecon. De boulevard van het oude Havanna met de door de zee doorleefde, pastelkleurige huizen die hun laatste likje verf voor de revolutie in 1959 lijken te hebben gehad. Voorzichtig neemt hij de bocht en ineens gaat de hand van de man naar zijn broekzak. Ik schiet naar voren, kijk de man in de spiegel aan. Ik ben als de dood dat hij uit gewoonte zijn sigaar aansteekt.  Wanneer onze ogen elkaar ontmoeten zie ik dat dit bijna het geval was. Met een blik die het midden houdt tussen geschrokken en verontschuldigend kijkt hij mij aan. Opgelucht zak ik weer achterover op de achterbank van de opgelapte Buick. Ook de chauffeur verslapt iets. Zijn aansteker verdwijnt weer in zijn broekzak. Even verliest hij zijn concentratie en onwillekeurig geeft hij een rukje aan het stuur. ‘Kijk uit man! ’sist  Gerben vanaf de passagiersstoel. Benzine klotst over de rand van de emmer langs zijn blote benen in zijn sandalen. Mijn God, hoe zijn we hierin verzeild geraakt? In deze glimmende groene oldtimer die nu dienst doet als taxi waar Gerben voorin zit met een emmer benzine tussen zijn benen en ik enigszins nerveus op de achterbank.
         
Het is 1993, Fidel Castro zit nog stevig in het zadel. De toestand van het land is rampzalig. Het is  bijna bankroet door onder andere de Amerikaanse boycot, de teruglopende opbrengsten van de suikerrietplantages en niet te vergeten de verminderde gesubsidieerde leveranties van onder andere gas uit Rusland. Fidel Castro - die zich gedwongen ziet buitenlands geld te accepteren om de belabberde economie uit het slop te trekken- heeft met veel tegenzin de dollar ten behoeve van de toeristenindustrie vrijgegeven. Het betaalmiddel waarvan tot voor kort alleen het bezit ervan al tot een jarenlange straf kon leiden. Een bijzonder moment om nu in Cuba te zijn.
 
         Op de luchthaven in Holquin - in het noordoosten van het land- worden we ontvangen door Vladimir. Wie -net als ik-  deze naam associeert met een Rus met borstelige wenkbrauwen, heeft het helemaal bij het verkeerde eind. Onze Vladimir is een donkere Cubaan met de mooiste glimlach die ik ooit heb gezien en jaloersmakende soepele heupen. Dit laatste lijken alle Cubanen gemeen te hebben, het zit ze in de genen. Een prettige bijkomstigheid is dat Vladimir uitstekend Engels spreekt, een uitzondering in Cuba zoals we later nog vaak zullen ondervinden. De tweede taal, naast het eigen Spaans, op het Caribische eiland is Russisch.  Van Vladimir krijgen we uitleg over onze reis,  de sleutels van de jeep waarmee we de komende drie weken door het land zullen reizen, een wegenkaart en een stapeltje benzinebonnen. In Cuba is de benzine op de bon en slechts beschikbaar voor vervoermiddelen van de staat, de legerleiding, een handjevol diplomaten en toeristen.  
Vanaf Holquin rijden we via Santiago de Cuba in het zuidoosten naar Havanna,
ongeveer elfhonderd kilometer westelijker. Cuba kent een uitgebreid, maar slecht onderhouden wegennet. Er worden ons geen beperkingen opgelegd voor wat betreft de route al zou je dat gezien het communistische regime misschien wel verwachten. De enige beperking – en dat is er wel degelijk één om rekening mee te houden- is de inhoud van onze benzinetank in combinatie met de minimale aanwezigheid van tankstations. Tanken is een ervaring op zich. Vanwege het energieprobleem in Cuba staat steevast naast elke benzinepomp een fiets opgesteld, bedoeld om stroom op te wekken om de benodigde brandstof op te pompen. Zo kregen we naast de vele autokilometers ook nog onze  noodzakelijke lichaamsbeweging, lekker efficiënt! Naast het tanken hebben sommige tankstations een andere functie, iets wat we hier een carpoolplaats zouden noemen. Inventief als de mensen hier zijn, is er een bijzonder transportsysteem ontwikkeld. Vervoermiddelen van de staat zijn verplicht burgers mee te nemen. Privé-autobezit is verboden, Cubanen beschikken over een fiets, gekregen van Fidel! Oldtimers uit vervlogen tijden staan op blokken. Bij het eerste tankstation dat we aandoen, ziet het zwart van de mensen. Een opstapplaats zo blijkt, (overheids)auto’s worden aangehouden door mannen met oranje hesjes. De een na de ander wordt aan boord gehesen. Overal waar het kan, zit, staat of hangt iemand.

Tijdens onze reis over het eiland passeren we van alles wat op eigen kracht kan rijden. Fietsen, Riksja’s, paard en wagens,
maar vooral veel moedige wandelaars -het is er tegen de vijfendertig graden-  en rijen wachtende mensen. De achterbank van onze Jeep is alleen de eerste tien kilometer leeg gebleven. Omdat je het doodeenvoudig niet kunt maken aan al die mensen voorbij te rijden. We hebben steeds wisselende passagiers in de auto gehad en zijn we op plaatsen geweest die we zelf niet konden bedenken. De eerste was Raoul, een student uit Holquin en de enige die Engels sprak. Ik heb nog een lange tijd met hem gecorrespondeerd, maar het contact is verwaterd zoals dat nu eenmaal vaak gaat. Zijn moeder heeft astma en zit zonder medicijnen zoals zo veel Cubanen. De gezondheidszorg in Cuba is van een hoog niveau en staat wereldwijd erg goed bekend. Helaas zijn er -als gevolg van de Amerikaanse boycot- geen medicijnen beschikbaar. Je moet er niet aan denken, ik zou me geen raad weten zonder mijn puffertje. De moeder van Raoul heeft altijd benauwd en ondervindt dagelijks de beperking die haar ziekte met zich meebrengt, terwijl er preventief zoveel te voorkomen zou zijn. Raoul studeert Engels, hij wil graag naar het buitenland. Al was het alleen maar om medicijnen te bemachtigen. Cuba in en uit reizen is voor Raoul voorlopig nog een droom vrees ik.
         
Onze hotels voor onderweg zijn geboekt en variëren van heel eenvoudig tot uiterste luxe zoals het hotel In Santiago de Cuba waar we twee dagen verblijven. Ook in de hotels stuiten we op een bijzonder fenomeen. Ingezetenen krijgen van de staat een overnachting en een feestje aangeboden wanneer zij zich verdienstelijk hebben gemaakt voor de staat én wanneer ze trouwen. Afhankelijk van de eenvoud van het hotel is ook de eenvoud van de bruiloft, het paar en de gasten. Regelmatig was bij onze aankomst in het hotel de lobby gevuld met bruiloftsgasten swingend op de opzwepende salsamuziek en genietend van hun drankjes. Soms werd er gedronken uit blikjes en ging de fles rum van hand tot hand, maar nu overheersen de rumhoudende cocktails met klinkende namen als Cuba Libre, Mojito en Daiquire, de laatste was het lievelingsdrankje van Ernest Hemmingway en John F. Kennedy heb ik me laten vertellen. De aankleding van de lobby , het bruispaar en hun gasten is verre van eenvoudig. De dames in het lang en de heren in legeruniform voorzien van indrukwekkend eremetaal dat wil zeggen wanneer je er gevoelig voor bent. De ruime omtrek rondom het hotel is schoongeveegd. Ontdaan van rommel en mensen die er niet thuis horen. De kinderen die je gelukkig kunt maken met snoep, pennen, potloden. Met wat niet eigenlijk? De hoertjes die ons gisteren zo vriendelijk hadden ontvangen en ons hun diensten aanboden – ik zeg ons, want voor mij was er ook wel iets te regelen, wisten ze mij duidelijk te maken toen ik wat raar opkeek nadat ze zich aan Gerben hadden opdrongen-  ze waren in geen velden of wegen te zien. Een dag eerder had ik me gestoord aan hun aanwezigheid, hoewel ik er dubbelhartig in ben. Een groot aantal van de dames en heren die zichzelf aanbieden aan toeristen, hebben een bul op zak. Cubanen zijn slim en onderwijs is voor iedereen toegankelijk dus je studeert af als arts, ingenieur noem het maar op. Ongetwijfeld met een ander doel voor ogen dan wat hen nu ten deel is gevallen. Nu zijn ze weggestuurd door het leger. De dochter van één of andere hoge Pief uit de partij trouwt en de gelukkigste dag uit haar leven mag niet verstoord worden door de harde realiteit. Papa heeft het keurig geregeld voor zijn dochter. Ook dit is Cuba. Niet ’s lands mooiste kant wat mij betreft.  Wij hebben ons terug getrokken in het zwembad en de jacuzzi’s op het dakterras. De volgende dag reizen we verder richting Havanna. We zullen nog vele hotels aandoen en nog geregeld getuige zijn van een bruiloftsfeest. Gelukkig niet meer zo stuitend als deze.

Na het ontbijt stappen we in onze Suzuki en pikken bij de opstapplaats onze eerste lifters op. 

‘Camagüey’ roep ik naar de menigte en al snel schuift een oude vrouw haar man naar voren. Hun zoon begeleidt hem, de vrouw blijft achter in de menigte. De ernstig zieke man is onderweg van het hospitaal naar huis in Camagüey. Het scheelt ze dagen wachten en lopen in de brandende zon. Aan het eind van de middag zal hij thuis zijn, ze hadden op een reis van drie dagen gerekend. De rest van de dag brengen we in gezelschap van de mannen door. We delen eten en drinken en onderweg genieten we van het landschap. Cuba is zowel in het oosten als in het westen bergachtig. 
In het midden is het landschap vlak en lijkt dan zelfs een beetje op Nederland. Hier was het dat de uitlaat met een immense knal onder de jeep weg viel. Op het heetst van de dag en geen boom om te schuilen. Geen gereedschap, geen wegenwacht en een ernstig zieke man in de auto die verrassend genoeg onmiddellijk het initiatief neemt. Zoonlief wordt het weiland ingestuurd en komt even later terug met een stuk staaldraad dat voor de afrastering wordt gebruikt. Hiermee bevestigt hij de uitlaat, slechts met een jas als bescherming tegen het hete asfalt. Gefikst! Zo doen Cubanen dat. De uitlaat heeft het de rest van de reis gehouden. De mannen hebben we thuis afgezet. De oude man was doodmoe. Hopelijk heeft zijn vrouw ook geluk gehad met een lift en zal ze snel bij hem zijn. Wij gaan op zoek naar ons hotel waar we twee dagen zullen blijven, overmorgen zullen weer anderen op de achterbank plaatsnemen. Vooral die ontmoetingen maken deze reis onvergetelijk.        
         
Aangekomen bij ons hotel, worden we opgewacht door een aantal mensen van de lokale bevolking. Met boodschappenbriefjes in de hand komen ze ons tegemoet. Het is inmiddels een bekend ritueel voor ons geworden. Sinds Fidel Castro de dollar ten behoeve van de toeristenindustrie heeft vrijgegeven, zijn er bij alle hotels dollarwinkels verschenen. Je kijkt je ogen uit in zo’n winkel. Artikelen die voor het grootste deel het toegestane gewicht aan bagage voor het vliegtuig ruimschoots overschrijden. Complete inboedels worden te koop aangeboden. Duidelijk niet voor toeristen bestemd. Of we spijkerbroeken, sportschoenen in verschillende maten, een stereo-installatie en een keukenmachine willen kopen. Behalve het boodschappenbriefje worden ons dollarbiljetten toegestoken. Natuurlijk komen we aan het verzoek tegemoet, waarmee we meewerken aan een steeds groter wordende kloof tussen bevolkingsgroepen, zij die met de toeristenindustrie en daarmee de dollar in aanraking komen en zij die dat geluk niet hebben.

De laatste vier dagen blijven we in Havanna,
een prachtige stad die vanwege zijn barokke en neoklassieke monumenten op de werelderfgoedlijst van Unesco staat. Met de Malecon, de kilometerslange boulevard langs de Straat van Florida, de zeestraat die Cuba scheidt van de USA en waar Havanna elke avond  tot leven komt. Een nachtelijke wandeling over de Malacon is een ervaring voor al je zintuigen. Cubanen van alle leeftijden zitten tot ’s avonds laat op de kademuur. Overal klinkt muziek, geschuifel en gesis. Ik ruik en proef de zee op mijn lippen, voel de wind mijn huid strelen en hoor het geschuifel en gesis. Het geschuifel waar ik me tot deze nachtelijke ervaring voornamelijk aan heb geërgerd, begrijp ik opeens. Het wegenonderhoud is zo slecht, dit in combinatie met het ontbreken van fatsoenlijke verlichting maakt het schuifelen puur lijfsbehoud. Hoe goed de gezondheidszorg hier ook aangeschreven is, ik wil er geen gipsbeen hoeven halen. Tegen alles in wat ik geleerd heb, slof en schuifel ik langs de gaten en kuilen. Intussen geniet ik van de muziek en verbaas ik me over al die mensen. Het sissen –een typisch Cubaanse gewoonte om elkaars aandacht te trekken- maakt het een beetje spookachtig, maar wat een stad en wat een mensen.
         
Een dag later worden we uitgenodigd in het Casa de Musica, waar we met veel egards worden ontvangen. We mogen op de eerste rij plaatsnemen. De eregast van de avond zit als een vorstin in een grote stoel op het podium. Ze is een gevierd zangeres, haar naam ben ik vergeten helaas. Naast het gebruikelijke glaasje rum krijgen we de tekst van één van haar bekendste nummers opdat we mee kunnen zingen. Cubanen en hun muziek, ze kunnen niet zonder!

Gisteravond hebben we na een middagje strand in Varadero, onder de rook van Havanna, twee meisjes thuis gebracht. De hele middag hebben we met ze op het strand gezeten. Leergierig als de Cubanen zijn, wilden de meisjes Nederlands leren. In ruil daarvoor leerden zij ons een paar woordjes Spaans.

Om de meisjes naar huis te kunnen brengen moesten we omrijden. De wijzer van de benzinemeter staat in het rood en nergens een tankstation te zien. Waar we de hele reis bang voor zijn geweest overkwam ons gisteren. Benzine op! Ons hotel konden we net bereiken. Hopelijk is er een jerrycan te koop. Ze hebben immers alles in de dollarwinkel, helaas! Een taxi moest uitkomst bieden.
Bij de lobby van ons hotel bestelden we een taxi. We hadden al eens eerder gebruik gemaakt van een taxi en wisten dat er één oudere Engelssprekende chauffeur was. Of ze die voor ons konden bellen.De man begreep ons probleem. Nee, hij had geen jerrycan, maar daar wist hij wel wat op. Hij had een emmer!




woensdag 17 september 2014

Herfst

 
De spin in zijn web
kleurt de omgeving zilver
draden in 't gezicht