zondag 28 juli 2013

Code Oranje


Een hoop gedonder in de glazen

Storm, wind, regen en hagelstenen, zo groot als morgen de hele dag

Met het weer was het code oranje geblazen

Maar ik kan me niet herinneren dat ik er iets van zag

 

Pas op! Op de weg word het link, je bent gewaarschuwd.

Maar het  KNMI dekte zich in

Want alleen lokaal hakte het erin

ik wacht wel af tot de storm is geluwd.

 

Warmte en zon hebben iets van hun kracht verloren

stinkende vuilcontainers, de lucht van de barbecue en menigeen rook niet meer fris

Maar vandaag voel ik me herboren

 

Ook al kwam het plaatselijk in een overdosis

Maar de zomer heft, dankzij de bui, haar vieze luchtjes verloren

En echt, die kan ik missen als kattenpis!

 

 

 

donderdag 25 juli 2013

De naaister uit Kabul


Spijtig kijkt Tanja, bij wie ik die middag op bezoek ben, naar de slijtageplekken op de mouwtjes ter hoogte van de ellebogen. De blouse was het favoriete kledingstuk van haar geliefde tante Adèle. De oude vrouw stierf vorige maand op negentigjarige leeftijd. Liefkozend, alsof het haar tante zelf is, haalt ze haar hand over de ragfijne stof.  ‘Ik zie tante nog staan met haar lievelingsblouse in de fraaie tuin’ vertelt ze me om er trots aan toe te voegen dat het een statige dame was met gevoel voor mooie dingen.
De zijden blouse is door het tijdloze model nog prima te dragen en de stof is prachtig. Een kenner zal de kwaliteit ervan zeker herkennen. Alleen de mouwtjes, daar moet ze wat aan doen. Tanja besluit dat het kledingstuk zich prima leent voor korte mouwen en we nemen het mee naar de kleermaakster in de stad.

Zachtjes openen we de deur, de ouderwetse winkelbel maakt een geluid van vroeger. We stappen naar binnen. In een hoekje achterin het pand zit een gesluierde vrouw achter de naaimachine. Ze is de eigenaresse van het naaiatelier dat hier sinds een jaar of twee is gevestigd. Ze is Afghaanse en woont hier met haar zoon.
‘Goedemiddag, wat kan ik voor u doen?’ vraagt de vrouw met een heldere stem.  Terwijl we naar haar toelopen en haar groet beantwoorden pakt Tanja haar erfenis uit een plastic tasje.
Nog voor ze iets heeft kunnen zeggen, neemt de vrouw de blouse van tante Adèle in haar handen en roept enthousiast ‘Oh, wat een prachtige stof!’ Haar groene ogen twinkelen.  Met een onderzoekende blik bekijkt ze vervolgens het kledingstuk waarbij ze haar goedkeuring laat horen door met haar tong een klakkend geluid te maken.
‘Ah, de mouwtjes zijn het probleem zie ik, maar wanneer u deze inkort kunt u de blouse goed dragen. Het zal u fantastisch staan. De kwaliteit is uitzonderlijk. Zo maken ze het tegenwoordig niet meer’ zegt ze terwijl ze ons met een innemende glimlach aankijkt. Gelijkertijd veegt ze haar voorhoofd af met een papieren zakdoekje. ‘Wat is het toch warm’ verzucht ze.
We schieten allebei in de lach en Tanja merkt op dat de naaister met haar gemopper al aardig op een Nederlander gaat lijken. ‘Wij mopperen ook altijd op het weer’ zegt Tanja. Waarop ik lachend opmerk dat ze niet al onze gewoontes moet overnemen.
De vrouw met de mooie ogen die nu ineens treurig staan kijkt ons verschrikt aan en verontschuldigt zichzelf: ‘sorry, ik mopper inderdaad te veel. Neemt u mij maar niet kwalijk. Ik heb te veel nare dingen gezien’ voegt ze er zachtjes aan toe.
Verdorie denk ik, nu heb ik met een goedbedoeld maar veel te flauw grapje de vrouw teruggebracht bij haar verschrikkelijke herinneringen. Omdat ik niet weet wat te zeggen, raak ik even haar schouder aan.  We kijken elkaar aan en ze schenkt me warme glimlach. Over het verstelwerk worden zakelijke afspraken gemaakt en met een vriendelijke groet ter afscheid verlaten we haar winkeltje. Op hetzelfde moment komt haar zoon, een vrolijk lachende jonge knul van een jaar of achttien aangefietst. Hij groet ons beleefd en loopt richting zijn moeder die alweer over haar naaiwerk gebogen zit.

Het is inderdaad warm. Tanja en ik besluiten een terrasje te pakken. We hebben geluk, al snel vinden we een vrij tafeltje met twee stoelen. Op een denkbeeldige stoel zit de naaister uit Kabul. Ze heeft een diepe indruk op mij gemaakt. Ik probeer me voor de geest te halen hoe het is om met je zoon je vaderland te moeten ontvluchten en vervolgens een nieuw bestaan op te bouwen in een land als het onze.  Een land waar buitenlanders die zich er willen vestigen door velen  toch vooral als een probleem worden gezien. Het lukt me niet, ik kan me niet voorstellen wat er in dit land zou kunnen gebeuren waardoor ik mij genoodzaakt zie het land te ontvluchten. Ze moet door een hel gegaan zijn. Ze verdient onze aandacht en een warm gevoel maakt zich van mij meester. Wat een vrouw!

Hetzelfde gevoel overviel me onlangs bij een lezing  van ‘Wereld van vrouwen,’ een regionaal multicultureel netwerk van actieve autochtone en allochtone vrouwen in onze stad. Met regelmaat organiseren de dames bijeenkomsten waarin de gewoonten en gebruiken van een specifiek land centraal staan. Leuke avonden zijn het. Onder het genot van een hapje en drankje uit het land wat die avond het onderwerp vormt, luisteren naar boeiende en leerzame verhalen over andere culturen. Soms alleen maar leuk en gezellig, soms heel emotioneel. Wanneer één van de vrouwen tijdens de Cambodjaanse avond vertelt over haar vlucht als twaalfjarig meisje voor het Pol Pot-regime kun je een speld horen vallen. Ook het verhaal van moeder en dochter uit Iran over de cultuur van het land, de revolutie, de dichtkunst, de oorlog tussen Irak en Iran en uiteindelijk hun vlucht via Turkije heeft diepe indruk gemaakt op de aanwezigen.

Vanavond staat Staphorst centraal. Toch een plaats waar vaak lacherig en smalend over wordt gedaan wordt, maar niet op deze avond. Niet bij deze vrouwen. Hendrikje, Aaltje en Hummigie vertellen, gekleed in Staphorster dracht, met een flinke dosis humor over hun klederdracht en de plaatselijke gebruiken. Vrouwen uit alle windstreken hangen aan hun lippen en op het eind van de avond staat er een pronte Surinaamse te glunderen in Staphorster klederdracht.

Wat een avond, wat een sfeer, wat een vrouwen!

Tante Adèle, Tanja, de naaister uit Kabul, Hendrikje, Aaltje en Hummigie, stuk voor stuk wereldvrouwen, vertel je verhaal en help ons integreren!

 

 

 

dinsdag 23 juli 2013

Zomer!


Zwaluwen scheren  

over de besproeide tuin
 
oud beeld, nieuwe dag





 
 

zondag 23 juni 2013

Zin in Zomer!


Zo zin in zomer!

Door al die regen,

veel te lang in bed gelegen.

Van ooit een vroege vogel, verworden tot een dromer.

 
Een notoir laatkomer

Te laat, laat ik mijn honden uit, hardlopers krijgen van mij de zegen,

beleefdheden laat ik achterwege.

Vroeger was ik vromer.

 

God bewaar me,  ik kan er niets aan doen.

Voorkom dat ik verander in een chagrijnig wijf

-voor mijn directe omgeving een waarachtig angstvisioen-

 

dat staat buiten kijf,

iets waar ik niets aan af zal doen.

Geef me gewoon zonnestralen op mijn lijf!
 
 
 

maandag 17 juni 2013

Wat de Fyra en amateurbiologen met elkaar te maken hebben?


Wie vaker iets van mij gelezen heeft, zal zich -wellicht zuchtend- realiseren dat ook dit keer honden weer het onderwerp vormen.

Niet zo gek! Ik schrijf nu eenmaal over wat mij bezighoudt en eerlijk is eerlijk, Guus en Luuk weten me aardig bezig te houden en zijn om die reden geregeld een inspiratiebron. Maar ik realiseer me maar al te goed dat niet iedereen zo dol op honden is.

Clubs als Natuurmonumenten zien de hond en zijn baasjes als één van de grootste bedreigers van onze natuur. Met verbodsborden, hekken, wildroosters die mijns inziens te pas en te onpas gebruikt worden- ik zie meer roosters dan wild- worden wij geweerd. Ook private natuurvrienden dragen de gedachte met liefde uit.

Een tijdje geleden lieten we, op één van de weinige honden-uitlaat-terreinen in de buurt, onze vierpotige huisgenoten loslopen. Het duurde niet zo lang of we werden bestraffend aangesproken door een man en een vrouw. Beiden met rugzak, grijs haar en op het buitenleven gekleed. Hij droeg een verrekijker die hij op de grond richtte en zij een fototoestel. Of ‘die daar’ van ons waren -ik heb zelden iemand zo een vies gezicht zien trekken- en of we ons wel realiseerden dat we ons bevonden in het broedgebied van de zeldzaam geworden veldleeuwerik? Op onze repliek dat het terrein van defensie was en dat de honden hier vrij mochten lopen, schudden zij meewarig hun hoofd. Waar moest het toch naartoe in dit land? Je zag het ze denken. En trek nu niet onmiddellijk de conclusie dat wij totaal onverantwoord toestaan dat onze honden de eitjes van die arme veldleeuwerik vertrappen of de ouders van hun nest laten verjagen. Geen schijn van kans! Het was hartje winter.

Als hondenbezitter moet je, je regelmatig verdedigen tegen het feit dat je er bent. Doorgaans laten wij , als brave burgers, onze hondjes uit in de buurt waar de gemeente een uitlaatzone langs het spoor heeft aangelegd. Beetje jammer is het dat diezelfde gemeente op exact dezelfde plek een trimroute heeft bedacht. Tja, honden en joggers! Niet echt een goede combinatie. Ook hier zijn we dus op onze hoede. Zo ook vandaag.

Ik loop op met Anneke, die ook haar hond uitlaat.  Na verschillende hardlopers te hebben weerstaan, zien we in de verte een fiets geparkeerd staan. Ernaast, in het gras langs de spoorlijn, staat een man. Rugzak, grijs haar, op het buitenleven gekleed en met verrekijker of fototoestel. Op die afstand kan ik het verschil niet zien.

‘Een treinspotter zegt Anneke’, maar ik heb een andere associatie.

Meneer Midwinter–Veldleeuwerik! Mijn haren schieten overeind. Voor de zekerheid lijnen we onze honden aan.

Als we bij de vermeende natuurvriend aangekomen zijn, kan ik mijn nieuwsgierigheid niet bedwingen. Op mijn hoede en voorbereid op een lyrisch verhaal over een zeldzame vogel of een bijzondere muizensoort- want muizen zitten er genoeg. Guus heeft er al menigeen verorbert- vraag ik de man  ‘U bent vast op zoek naar iets interessants?’

In gedachten ga ik de discussie aan. Gechoqueerd? Een hond die een muis eet is natuurlijker gegeven dan onze hamburger uit de bio-industrie. Met die opmerking maak ik mezelf niet populair realiseer ik mij. Meneer is waarschijnlijk vegetariër en mijn hond is en blijft een carnivoor. Druk in mezelf discussierend ben ik helemaal klaar voor de confrontatie. Kom maar op meneer de amateur bioloog!

Stomverbaasd ben ik dan ook wanneer de man -met zijn fototoestel in de aanslag- de reden van aanwezigheid verteld. Een stoomtrein! De opeens vriendelijk ogende man staat te wachten op een sissend, stomend en knerpend brok techniek wat fluitend voorbij komt, de fascinatie van zijn jeugd vermoedelijk. De trein is vanuit de  Eemshaven op weg  is naar thuisbasis Boekelo en zou rond twintig over acht dit spoor moeten passeren.

Alle drie checken we de tijd. Het is kwart voor negen. Teleurgesteld concludeert de man dat de ijzeren kolos waarschijnlijk niet meer komt.

‘Wegens gebrek aan belangstelling zal het evenement wel afgelast zijn. Dat gebeurt wel vaker’ zegt de man met spijt in zijn stem.

Mijn geheel misplaatste opmerking dat de locomotief waarschijnlijk ook een product is van de vermaledijde Fyra, beantwoordt hij dan ook met een lauw lachje.

Wat de Fyra en amateurbiologen met elkaar te maken hebben?

Behalve dat ze beiden ongeveer gelijktijdig, als volstrekt onterechte aannames in mijn brein terecht zijn gekomen en een spannende titel opleveren, helemaal niets waarschijnlijk!

donderdag 6 juni 2013

Mag opgeven soms ook een optie zijn?


Uitgeput en emotioneel staat de man - zo goed en zo kwaad als het kan- in zijn gesponsorde rijwielkleding, alsof hij de Tour de France aan het rijden is, de interviewster ter woord. Uit de luidsprekers schalt het speciaal voor dit doel geschreven lied ‘dichter bij de hemel kom ik niet.’ Het is de sterfdag van zijn dochter. Vorig jaar overleed ze aan kanker. Hijzelf heeft prostaatkanker met uitzaaiingen en verontschuldigt zich voor het feit dat hij maar één keer de berg opgefietst is. Een tweede keer zat er niet in. ‘Dat geeft tocht helemaal niets’ zegt de blonde presentatrice met een brede grijns. Ze grijnst altijd of ze nu op zoek is naar miljoenen of naar onbekend DNA. Ik zal haar naam verder niet noemen, niet interessant! De emotie spat van het scherm. Met tranen in mijn ogen kijk ik vanaf de bank naar de strijd die deze man en met hem vele anderen levert.

‘Opgeven is geen optie’ is het motto van Alpe d'HuZes. De stichting met dezelfde naam is ongetwijfeld met goede intenties opgericht. Ook haar deelnemers, vrijwilligers en bestuurders zullen de beste bedoelingen hebben, maar het brengt mij tot de vraag waarom we zo spastisch omgaan met kanker? Soms bijna op een sensationele manier.

Is het onze angst? Zien we het als een soort garantie? Als we nu maar vaak genoeg tegen onmogelijke bergen op fietsen, roze armbandjes en strikjes gaan dragen, hard genoeg lopen vanuit Parijs of Hamburg naar Rotterdam of onze snor laten staan, ontkomen we aan deze ziekte. Of is het omdat we ons verdriet, om de dierbaren die we verloren zijn, geen plaats kunnen geven?

Over zowel de angst als het verdriet heb ik geen oordeel, integendeel! Ook ik heb dierbaren verloren, wie niet? Mijn vader, ik mis hem nog elke dag en ik weet ook dat je denkt dat je doodgaat wanneer een specialist je geruststelt als hij zegt dat er geen uitzaaiingen zijn. Maar waarom dit circus, al die toeters en bellen?

Onderzoek naar kanker is van levensbelang. Dat weten we allemaal. Waarom dan niet gewoon storten? Waarom eerst die veel te commercieel uitgebuite poppenkast? ‘Mijn bedrijf heeft zoveel opgehaald’ vertelt een trotse manager. Zijn bedrijf? Amehoela! De werknemers bedoelt hij waarschijnlijk. Het bedrijf zal de shirtjes beschikbaar gesteld hebben en is langs de route als sponsor goed in beeld. Lekker stukje reclame! Het bedrijf had ook belangeloos aan de KWF kankerbestrijding kunnen storten. Een reclamecampagne van die omvang kost waarschijnlijk het veelvoudige van wat het bedrijf nu kwijt is aan sponsoring, zelfs al verdriedubbelt het bedrijf de opbrengst. Ik word er een beetje misselijk van. Gillette, de scheermesjesboer die aandacht vraagt voor prostaatkanker en mannen in de maand november oproept hun snor te laten staan. Om het nog maar niet te hebben over het glamourfeestje van PinkRibbon, waarvan we inmiddels weten dat slechts vijf procent van hun opbrengst daadwerkelijk aan borstkankerpreventie besteed wordt. Op het journaal zien we de jetset voorbij komen op weg naar hun roze galafeest. Ik vraag me af hoe je dat beleeft wanneer je herstellende bent van een chemokuur? Hoe kom je sowieso een dergelijke maand door waarin het continu gaat over roze strikjes, armbandjes en andere ‘goedbedoelde rotzooi'? Om over de acties op Facebook nog maar te zwijgen, als je niet ‘liked’ verzoek je de Goden. Ik hoop dat ik het antwoord op deze vraag nooit kan geven.

Een discussie hierover is bijna onmogelijk. Bij een kritische opmerking wordt verwezen naar geleden verlies. Natuurlijk stopt dan de discussie. Je discussieert niet over verdriet.

Intussen gaat de gekte door. Wordt ziekte en angst commercieel geëxploiteerd en blijven we de verkeerde signalen uitzenden. Want wat als je helemaal niet meer wilt of kunt vechten, mag opgeven dan een optie zijn?

Hardlopen, fietsen, roze armbandjes, mijn buurvrouw heeft er niets aan. De buurvrouw verderop uit de straat. Ik ken haar nauwelijks. Een snelle groet in het voorbijgaan en dat was het. Ze liep al een tijdje slecht, nu draagt ze een mutsje om haar kale hoofd te bedekken. Ik schrok toen ik het zag en weet ik niet hoe ik er mee om moet gaan. Blijft het bij een groet in het voorbijgaan of spreek ik haar aan?

Ik worstel ermee.

Waarom gaan we zo spastisch om met deze rotziekte en de mensen die het treft?

 

 

vrijdag 17 mei 2013

Gelukkig, het regent!


Vanavond eten we een uurtje eerder en zonder knoflook. Dat laatste is belangrijk.
In tegenstelling tot vorige jaren is het hondenweer. Het regent de hele week al en de kans dat het morgen droog is, lijkt mij uiterst klein. Langer uitstellen heeft geen zin. Vandaag moet het maar gebeuren.
De kledingkeuze is niet moeilijk, spijkerbroek, laarzen en een regenjas. Het meest belangrijke attribuut is de paraplu.

 ‘Hallo’ zeg ik met een brede lach op mijn gezicht waardoor de begroeting extra hartelijk klinkt ’Het Longfonds!’ en houd haar de collectebus voor.
‘Oh hoi, ben je er weer? Je treft het niet’ is de reactie van de buurvrouw waarbij ze met een afkeurende blik naar buiten kijkt.
‘Ach met een paraplu valt het mee. Bovendien verwacht ik nu meer mensen thuis’ antwoord ik optimistisch.
Uit een kennelijk speciaal voor collectes bestemd potje pakt ze haar bijdrage, twijfelt even en vist er nog een munt uit.
‘Hier, iets extra’s voor de slechte omstandigheden’ terwijl ze haar gift in de bus stopt.
Ik bedank haar, wens haar een fijne avond en loop door naar de buren.  
Ook hier eenzelfde reactie. Zo langzamerhand begin ik de voordelen van de regen in te zien en inderdaad wat ik gehoopt had blijkt bewaarheid te worden. De meesten mensen zijn thuis. Het feit dat ik onder etenstijd aanbel draagt daar natuurlijk aan bij. De gêne daarover schud ik van me af. Iets wat sowieso goed is tijdens het collecteren.
Huis na huis bel ik aan en let ik op bewegende schaduwen en geluiden vanuit de woning. Hoor of zie ik  niets, dan ga ik verder. Jammer, volgend jaar beter.

Ook nu sta ik te wachten nadat ik heb aangebeld, gespitst op signalen of er iemand thuis is. De hond is er wel, dat lijdt geen twijfel. Een enorm grommend beest staat achter de deur. Door een zijraam zie ik dat zijn baas hem in zijn nekvel grijpt en gelijkertijd de deur opent. De man zegt niets en kijkt me aan alsof ik het meest stupide mens op aarde ben. Intussen wijst hij met een boos gebaar naar één van de stickers op zijn deur waarop ‘geen collectanten’ staat.  
Ik verontschuldig me, wens hem toch nog een fijne avond en loop door. Baas en hond lijken op elkaar denk ik.

Dat is ook zo, die verrekte stickers en het zijn er veel:
De alom bekende nee/nee of nee/ja-sticker; een gezellige Loesje-sticker die laat weten dat de bewoner niets wil hebben omdat hij alles al heeft; een sticker met daarop ‘geen colportage’ of ‘geen verkopers, wel collectanten’  en voor mij van belang de sticker die kortweg zegt: ‘geen collectanten.’
Afhankelijk van mijn stemming doe ik er wat mee. Soms negeer ik ze bewust. Laat ze in ieder geval maar de moeite nemen om de deur open te doen, denk ik venijnig. Het voelt te lullig om afgewezen te worden door middel van een stickertje.

Anders is het bij zijn buurman die hoestend en proestend zijn deur opent en met benepen stem zegt: ‘Oh gelukkig, het longfonds, ik kan wel wat hulp gebruiken!’
Grijnzend stel ik hem teleur ‘Het spijt me meneer, op zo’n korte termijn kunnen wij niets voor u doen, maar we doen wel onderzoek.’
Waarop de man zijn shirt omhoog doet.                
Volgende week collecteer ik voor de MaagLeverDarm-stichting......ik houd mijn hart vast.