vrijdag 28 juni 2019

En opeens bloeit het Fluitenkruid




Gedachteloos loop ik het gebruikelijke ochtendrondje met Guus. Het is kwart voor zes. Op de krantenjongen na kom ik niemand tegen. Snel gaat onze wandeling niet, Guus vindt overal plekjes om aan te ruiken, een loops teefje waarschijnlijk. Ook nu staat hij weer met zijn neus aan de grond. Licht geërgerd wacht ik tot hij is uit gesnuffeld. En dan ineens valt mijn oog erop, pal voor mijn neus.
Het Fluitenkruid bloeit. Stokstijf sta ik daar, mijn benen voelen zwaar. Het is alsof ik net ben neergedaald uit een andere dimensie. Hoe kan het me ontgaan zijn? Waar ben ik al die tijd geweest?
Mijn gedachten terug naar die dag op verpleegafdeling B5 waar mijn man zijn laatste dagen doorbrengt. Terwijl ik naar buiten kijk, luister ik naar zijn ademhaling, zwaar en rochelend. De sneeuw is aan het verdwijnen. Een eerste ooievaar is neergestreken en op de bomen zie ik de groene gloed van het voorjaar.
Ik houd van alle seizoenen, maar van de lente het meest. Het jonge groen, het nieuwe leven, ze stemmen mij hoopvol. Alsof de natuur je nieuwe kansen biedt. Bij het zien van de eerste tekenen van het veranderende jaargetijde kijk ik het frisgroene blad bijna uit hun knoppen en maakt mijn hart een sprongetje wanneer ik de eerste zwaluwen zie. Verheugd zie ik het loof van het Fluitenkruid uitgroeien tot een volwassen plant. Nog even en dan zullen de wilde witte bloemen bermen en sloten sieren. Als dansend Brussels kant. Het begin van een nieuw seizoen.
En nu staat ze daar opeens, brutaal pronkend met de sierlijke witte bloemen, het Fluitenkruid. Het is windstil, er wordt niet gedanst. Ik kijk om me heen. In de verte scheren een paar zwaluwen over het water. Het is lente. Vanaf dit jaar zal het anders zijn.
De gloed van het voorjaar heeft iets van zijn glans verloren.                     

zaterdag 20 oktober 2018

Wraak op Jenny


Het is weer zover. Een groot deel van de lente en de hele zomer heeft ze opstandig en uitdagend voor me staan pronken. Maar kijk haar daar nu eens staan. Wat een vertoning. Ze staat daar gewoon zielig te zijn. En weer heeft ze het laten afweten. Doe het zelf, lijkt ze te denken, al twintig jaar lang. Doe het verdomme lekker zelf. Al die jaren accepteer ik het. Ik lijk wel gek en waarom?
Het antwoord is simpel, ik vind haar mooi. Nee, ik vind haar prachtig. Haar uitbundigheid, haar standvastigheid en bovendien geeft ze lucht om te ademen. De zekerheid dat ze er altijd weer zal zijn, hoe ik haar ook elke keer weer aftuig. Want geloof me, ik kan veel van haar hebben, maar er komt een dag dat ik met haar afreken, ik moet wel. Uiteindelijk houdt ze, ondanks die verrekte zelfverzekerdheid, haar trotse houding niet vol en breekt ze. Slap en uitgeput zal ze voor me neervallen. Ik kan dat niet aanzien en besluit haar uit haar lijden te verlossen.
Maar stel je gerust onder dat altruïsme gaat ook een flinke portie egoïsme en zelfs wraak schuil. Egoïsme omdat ik gewoon geen zin heb om haar op te vegen en wraak omdat ze me alweer heeft teleurgesteld. Jenny, de zelf bestuivende kiwi, ik heb haar nota bene aangeschaft vanwege haar vruchtbaarheid. Ik bewonder haar zelfstandigheid, Jenny heeft geen man nodig. Elk jaar kijk ik verwachtingsvol uit naar haar vruchten die mijn vochtbalans op peil houden en mijn bloeddruk gezond met hun kalium. Mij stimuleren af te vallen met hun vezels en hun laag glycemische index. Ze dragen zorg voor een gezonde  Ph-waarde in mijn lichaam door hun mineralen. Door de aanwezige luteïne en zeaxanthine voorkomen dat ik last krijg van maculadegeneratie, ook wel netvliesveroudering genoemd en niet te vergeten een gezond luchtwegsysteem dankzij de aanwezigheid van vitamine C. Dat alles ontneemt Jenny mij met haar weerbarstige houding.
Vandaag is het tijd voor wraak. Voordat ze op sterven na dood uiteen valt, maak ik haar met de grond gelijk. En met het botter worden van mijn snoeischaar wordt mijn wraak knip na knip zoeter. Toch bloeit Jenny weer op. En net als dit jaar zal ze me ook volgend jaar weer in de steek laten.
‘Bestuif jezelf lekker zelf’ zal ze uitstralen.


donderdag 29 maart 2018

Beleef, kunst, natuur, architectuur & cultuur




‘Altijd wat met dat in-en uitchecken. Het begint een patroon voor ons te worden,’ zegt mijn vriendin als het inchecken met ons Kruidvat-voordeelkaartje niet lukt om half negen ‘s ochtends. Museum Voorlinden in Wassenaar staat al een tijd op ons verlanglijstje en vandaag is het zover. In Leiden checken we zonder problemen uit. Het zal dus wel aan die paal in Meppel hebben gelegen, concluderen we en verder staan we er niet bij stil. Snel trekken we een sprintje naar lijn 43 naar Wassenaar. Blijkt toch nog een aardig ritje te zijn. Na ongeveer een kwartier stappen twee kaartjescontroleurs in. Eentje voorin en eentje achterin, geen ontkomen aan. Met hun houding, het uniform waar achterop ‘Service en Veiligheid,’ staat en de bijbehorende legerkistjes imponeren ze behoorlijk. ‘Moet dat nou?’ vraagt de vrouw tegenover waarmee ze een toespeling maakt op de agressieve uitstraling van de mannen. Ze vraagt zelfs of de mannen bewapend zijn.
‘Helaas moet het mevrouw,’ antwoordt de man, ‘de hele maatschappij verloedert.’ Ik observeer de man en verdenk hem ervan dat hij maar wat graag een wapen had gedragen. ‘Jammer’ antwoordt de vrouw en alsof hij op de mogelijkheid heeft gewacht, velt hij zijn oordeel. ‘Komt door de multiculturele samenleving, mevrouw. Andere normen en waardes hè,’ zegt hij in plat Haags.
Waardes, waardes, wat voor een waardes denk ik. Het zullen zijn suikerwaarden zijn vermoed ik. Veel te laag, wat een zuur type.
Op de schaal van licht naar donker, behalen de vriendelijke dame tegenover mij, mijn vriendin ik de minste punten. De overige passagiers scoren in verschillende gradaties allemaal hoger. Een multicultureel gezelschap dus en meneer hier staat, dankzij zijn apenpakje, een beetje autoriteit uit te stralen en meent dat hij het recht heeft deze mensen, zonder enige aanleiding daartoe, te mogen schofferen. Zo maar, zonder blikken of blozen
‘Nou, zo kan het wel weer,’ roep ik grenzend aan mijn lef en bedeesder dan ik zou willen als ik zie dat hij meer wil gaan zeggen. Ik zit me op te vreten. Gelukkig stappen de mannen bij de volgende halte uit. Zonder iemand betrapt te hebben op zwart rijden overigens.
De afstand tussen bushalte en museum is groot genoeg om te schakelen tussen de rauwe werkelijkheid in de bus en de wereld van de schone kunsten.

‘Beleef, kunst, natuur en architectuur’ is de slogan van museum Voorlinden en dat lukt. Het gebouw, de tuin, de exposities zijn mooi op zichzelf. Samen versterken ze elkaar in hun functie. Een raam, zo gesitueerd waardoor het uitzicht op de tuin een schilderij lijkt. Kunst buiten onderstreept de kunst binnen. Architectuur waarbij aan alles is gedacht. De bekende en foeilelijke groene lichtbakken die de nooduitgang aangeven, wie kent ze niet, zijn weggewerkt in de muren en alleen zichtbaar als het nodig is. De enorme ramen en het dak zorgen voor natuurlijk licht. In alle opzichten is het gebouw dienend aan de kunst. De folder van het museum zegt niets te veel.
We dompelen ons onder in het zwembad, glimlachen om twee veel te kleine liftjes en vergapen ons aan mensfiguren, twee keer zo groot als wijzelf. We lopen door een enorm kunstwerk van verroest ijzer en wanen ons in een andere wereld. De tijdelijke expositie ‘Stage of Being’ laat ons nadenken over wie we zijn, over onze relaties met anderen en hoe wij herinnerd worden wanneer we er niet meer zijn.   
De wandeling terug naar de bushalte lijkt langer dan op de heenweg. Deels verklaar ik dit door het ontbreken van de noodzaak tot omschakelen. Liever was ik nog even gebleven tussen de schone kunsten. De werkelijke reden is dat mijn voeten hevig protesteren. De busrit, dit keer zonder mariniers, doet wonderen. Na de rit van ruim een half uur ben ik weer tot wandelen in staat. Het is net vier uur geweest als we op station Leiden inchecken. Nou ja, ik check in, het Kruidvat-voordeelkaartje van mijn vriendin weigert dienst. Het blijkt dat we reizen met een dalurenkaart. Dankzij de inconsequentie van het feit dat ik wel met hetzelfde kaartje kan inchecken en de afgedwongen belofte dat we ons melden bij de conducteur wordt de poort geopend.

Die conducteur lijkt een verhaal apart. Wij schatten in dat hij zijn jongensdroom, namelijk steward worden bij een luchtvaartmaatschappij, nog niet helemaal waargemaakt heeft, maar hij oefent goed. Al eens eerder heb ik in een blog geschreven over de overbodige informatie die conducteurs over hoofden van reizigers heen storten, maar op de Schipholtrein naar Leeuwarden gaat onze 'captain' helemaal los. Bij elk station stort hij zijn informatie in twee talen over ons uit en wenst ons namens de machinist en de bemanning een aangename vlucht, eh reis bedoel ik natuurlijk. ‘Let op,’ zeg ik tegen mijn vriendin ‘straks komt hij hier de vluchtroutes demonstreren, vallen de zuurstofmaskers uit het plafond en reikt hij aan de eersteklas reizigers Delfts blauwe huisjes uit.’ We worden er een beetje melig van en wij niet alleen. Intussen krijgen we een lesje Fries van een Friezin die ruzie heeft met Telfort en dat uitgebreid telefonisch met Mem bespreekt. En even later een lesje Spaans van een señora die haar señor aan de telefoon heeft. Bij het verlaten van de trein merkt iemand op dat de reis helaas te kort was voor Frans en Duits. We houden dat tegoed. Multicultureel was onze dag zeker. En veranderende andere normen en waarden en daardoor een verloederende maatschappij? De enigen die we op iets illegaals hebben kunnen betrappen waren wijzelf met ons dalurenkaartje in de spits. Al met al een heerlijke dag waarin we kunst, natuur en architectuur beleefd hebben. Persoonlijk voeg ik er graag 'cultuur' aan toe.

zaterdag 24 februari 2018

Geef het volk brood en spelen!



Een blog van mij over de Olympische spelen? Het zal je verbazen en terecht. Ik heb helemaal niets met sport. Het ontbreekt mij aan de noodzakelijke winnersmentaliteit en voor het fanatisme ben ik zelfs allergisch. Maar ik ben thuis en op de televisie is de openingsceremonie te zien. Al snel word ik gegrepen door een combinatie van mooie beelden, technische hoogstandjes en symboliek. Kinderen in gekleurde jasjes symboliseren de vijf elementen: rood voor vuur; blauw voor water; zwart voor metaal; wit voor aarde en groen voor hout. ‘De vijf elementen verhouden zich tot elkaar in een cyclus van creatie en vernietiging,’ lees ik op het internet. De vijf elementen trekken elkaar aan en stoten elkaar af. Door dit proces ontstaat verandering en evenwicht. Yin en Yang, het fascineert me net als de hightech. Oude oosterse filosofie en vernieuwende hightech ook heel yin en yang. En het wordt nog mooier. Beide Korea’s doen als één land mee aan de spelen. ‘De Zus van’ staat achter de president van Zuid Korea. Met een glimlach zelfs. Haar gebruikelijke zwarte uniform wordt opgevrolijkt door een fleurig blauw keycord en badge. Leuk! Staat je goed een beetje kleur, moet je vaker doen, denk ik. Maar jammer, ’s avonds in het acht-uur- journaal zien we ‘De Zus van’ samen met haar delegatie weer strak in het zwart. Het fleurige blauw is weg, net als de glimlach, maar de bedoelingen zijn goed. Er is zo waar een gesprek tussen Noord en Zuid. De spelen staan in teken van de vrede. De Olympische gedachte! Drones als vredesduiven laten zich vangen in vijf ringen. Nog aan het scherm gekluisterd zie ik hoe de Koreanen als één team het stadion binnentreden. Het ontroert me. Ook op de tribunes is iedereen euforisch, inclusief een synchroon zwaaiend leger van Noord Koreaanse cheerleadertjes in rode uniformpjes. ‘Dit is een wonder, dit is uniek!’ Woorden van gelijke strekking worden gebruikt. 

Maar dan de sport zelf. Af en toe kijk ik als het zo uitkomt. Ik zie hoe twee tiende punt verschil maakt tussen euforisch geluk, een knuffel van de Koning en intens verdriet. Hoe een honderdste van een seconde afrekent met te hoog gespannen verwachtingen en hoor ik Sven zeggen dat hij alleen voor goud rijdt. Dan is er het gevalletje matchfixing. Een oud lijk dat uitgerekend vandaag uit de kast valt. Want vandaag is de dag van de 10 kilometer. De dag van Sven, de man die alleen voor goud gaat. Maar het is ook de dag van zijn grote concurrent. En laat nou net de coach van deze concurrent iets te maken hebben met het oude lijk. Toevallig he? Opeens weet ik weer waarom ik sport niet leuk vind. Bah, het riekt naar politieke spelletjes. Belangen zijn in het geding. Het zal wel uitmaken of je de sponsor bent van de winnaar bent of van een verliezer. De tentakels van de commercie? Of ben ik nu te achterdochtig? In elk geval bevestigt het mijn vooroordelen. Ik haak af. De tv staat nog aan, maar ik kijk niet meer.
Maar dan is er ene Esmee Visser. Ze verrast iedereen en zichzelf nog het meest. ‘Ik heb gewoon lekker geschaatst,’ is haar reactie op de vraag wat er is gebeurd. Voor het eerst sinds de openingsceremonie ben ik weer ontroerd. Wat een heerlijk mens! Hopelijk houdt ze haar zichtbare onbevangenheid en valt ze niet ten prooi aan de gekte van topsport en aan de tentakels van de aasgieren en blijft ze gewoon lekker schaatsen met de jongens in Groningen.

Morgen is de sluitingsceremonie. Ik ben benieuwd of ‘De Zus van’ er weer zal zijn met haar glimlach en fleurige badge. Of de cheerleadertjes weer synchroon zullen zwaaien met hun vlaggetjes. Of beide Korea’s elkaar ietsepietsie genaderd hebben.
Sport verbroedert en Drones als vredesduiven. Het is ook wel een beetje naïef. Per slot van rekening is  ‘De Zus van’ ook alleen maar de zus van. Intussen kondigt Trump nieuwe sancties aan tegen Noord Korea.  ‘Het grootste pakket ooit’ en houdt de grote broer van ‘De Zus van’ de hand aan de knop.










donderdag 7 december 2017

Het Kerststuk

‘Nee, dat meen je niet, heet hij echt zo?’ Hij kan zijn lach nauwelijks onderdrukken, ‘En jij vindt het slim om hem tijdens het kerstdiner aan de familie voor te stellen?’
‘Niet zo flauw, broertje. Niet alle jongetjes kunnen Roderick heten. En ja, waarom niet? Iedereen is er immers. Dan hebben we het maar gehad hè?’ antwoordt zijn zusje terwijl ze zich opmaakt.
‘Ik moet toegeven, je hebt wel lef,’ roept hij terwijl hij de trap afrent.
Beneden aangekomen barst hij los. ‘Cato gaat haar Ierse vriendje straks ons voorstellen. Tijdens het kerstdiner nota bene.’ Hij rolt met zijn ogen. 
‘Hè Ro, laat toch, ze is verliefd,’ roept zijn moeder vanuit de keuken waar ze met een uitbeenmes het vlees van de reerug lossnijdt van het bot. Ze bekijkt het stuk vlees en constateert dat ze wel een extra mond kan voeden.

Twee uur later parkeert hij zijn Mini Countryman voor de Tesla van Cato’s vader. De toegangsweg naar de ondergrondse garage loopt schuin naar beneden. De handrem niet vergeten, denkt hij. Tegelijk grijpt hij naar zijn zelfgemaakte kerststuk dat dreigt om te vallen. Hij heeft er veel tijd aan besteed. Een ovale schaal met sparrentakjes. In het midden Skimmia Japonica Rubella en alles geschikt op gelijke hoogte. Afgestijld met zilverkleurige etalagespelden en mondgeblazen glazen kerstballen. Het resultaat is een strak en modern kerststuk. Tevreden bekijkt hij nog eens het resultaat. Zenuwachtig voor de ontmoeting met de familie van Cato stapt hij met het kerststuk op zijn hand uit de auto. Hij gooit het portier dicht en haast zich naar de deur. Via de keuken, heeft Cato hem op het hart gedrukt. Hij had geprotesteerd, maar Cato was onverbiddelijk. ‘Privé, altijd via de keukendeur, alleen klanten bellen aan,’ had ze gezegd.
Klokslag vier. Cato zou hem opwachten, maar het is haar moeder die open doet. De braadslee met de reerug waar ze net cognac en bessengelei aan heeft toegevoegd zet ze op het aanrecht. Nerveus drukt hij haar het kerststuk toe. In een reflex neemt ze het aan, maar laat het net zo snel weer uit haar handen vallen. Het stuk valt uiteen. Giftige besjes van de Skimmia en microscopisch kleine stukjes van de mond geblazen glazen kerstballen verdwijnen in de bessengelei. 
‘Oh nee’, gilt Cato. ‘Ze is allergisch voor spar.’ Roderick en zijn vader komen op het lawaai af. Het gezicht van Cato’s moeder is inmiddels rood en opgezwollen. Op haar handen vormen zich kleine witte blaasjes. In de keukendeur staan Cato’s grootouders die net zijn gearriveerd. 
‘Wat is hier gebeurd?’ vraagt de oude man. 
‘Cato gaat haar vriendje aan ons voorstellen,’ zegt Roderick grijzend.
‘Ik hoop maar dat jullie het net zo goed met elkaar kunnen vind als jullie auto’s, grapt oma. ‘Die hebben elkaar al gekust. Die mini, die is toch van jou jongeman?’ vraagt ze.
‘Oh nee, de handrem!’ Hij hapt naar adem.
‘Hoe was je naam ook alweer, had je dat al gezegd?’ vraagt Cato’s vader.
‘Murphy meneer, mijn naam is Murphy.’








donderdag 13 juli 2017

Bevestiging nodig?


Gekmakend is het, dat eeuwige gepiep van mijn jongste. Hij maakt me gek. Het is zo’n onzeker type. In alles wat hij doet, moet hij bevestigd worden. Ja, ja, ik weet het, ik houd het gedrag ook in stand natuurlijk. Iedere keer wanneer ik mijn hoofd om de deur steek om te kijken of het goed gaat daar binnen, is het weer raak. Ik heb de deur nog niet weer dicht gedaan en het gejengel begint weer. Ik had het er laatst met een paar vrouwen over, jonge moeders waren het. ‘Het gaat wel over als hij wat ouder is’ wisten ze mij te vertellen. Nou ik weet het niet hoor, ik geloof er niets van. Volgens mij zit het in het type en dat verandert echt naar mate hij ouder wordt. Sterker nog ik denk dat hij behalve piepen dan ook nog gaat zuchten en steunen. Op mijn werk hebben we ook zo type. Nou ja, niet echt op mijn werk. Hij werkt in het bedrijfsrestaurant. Tjonge, die is nog erger dan die van mij. Wat een jengelkont, hij blijft maar doorgaan. Echt, maar wat een tuff ladies werken daar zeg. Ze trekken zich er niets van aan, ze laten hem gewoon piepen. Soms wel tien minuten lang en geloof me, tien minuten gejengel aanhoren is lang. Veel van mijn collega’s ergeren zich er dan ook aan, maar ik niet. Ik kan ik het aardig van mij afzetten. Niet mijn verantwoordelijkheid immers, maar thuis? Verschrikkelijk, het liefst zou ik die van mij inruilen. Mijn hemel, wat waren ze in shock, die vrouwen, toen ik ze dat vertelde. Tja, dat hoor je ook niet te zeggen he? Die van jou is immers de beste, de mooiste, de slimste. Nou die van mij niet hoor. Wat een piepertje is het zeg. En als hij het nou echt niet kon, dan kon je er nog aan werken, maar hij kan het best hoor. Sterker nog, hij kan van alles en als je maar hem de juiste opdracht geeft, doet hij zelfs dingen tegelijk. Jammer, dat hij er zelf niet meer van overtuigd is. Af en toe weet hij het ook niet, dan kookt hij van woede. Die vrouwen hebben natuurlijk gelijk, ik doe het ook helemaal niet goed. Ik weet het wel. Zelfs nu hij toch al wat ouder is, kijk ik nog regelmatig om de deur. Je weet het immers niet, er kan altijd wat gebeuren. Het zit er ook zo in gebakken. Als ik dat bedenk, raak ik milder gestemd en gelukkig ontdooit hij dan ook weer.

Welk type het is? Het is mijn nieuwe Siemens combi-magnetron, type: HT5HBB4K

maandag 16 januari 2017

Dagje Amsterdam


‘Kom we gaan’ zegt mijn vriendin. Ik knik, drink mijn cappuccino op en pak mijn tas. Hoogste tijd! Met zijn tweeën doen we een dagje Amsterdam, altijd gezellig. We laten het terras voor wat het is en lopen naar de auto van mijn vriendin ‘Stap in, dan rijd ik even langs de parkeerplaats waar jij je auto hebt neergezet.’
‘Ben je mal’ zeg ik ‘ik loop dat stukje je wel.’
‘Zeker weten?’
‘Ja, ik weet het zeker, rij nu maar.’ Als ze wegrijdt zwaai ik haar na. 

Met mijn Dopper in de hand -je weet wel, zo’n verantwoord waterflesje- loop ik naar de gracht. Spelend met het flesje hang ik over de reling. Stomme gewoonte, maar dat doe ik nu eenmaal Totdat ik het ding in het water laat vallen. Alleen de dop heb ik nog in mijn hand. Shit! stom zeg. Dan zie ik een man die met een lange stok waaraan een netje is bevestigd aan het hengelen naar rotzooi in de gracht. ‘Kun je die fles er voor mij uit vissen?’ vraag ik hem.
‘Welke mot je hebben?’
‘Die groene,’ zeg ik hem wijzend naar het flesje.
Met moeite – hij was er bijna zelf ingevallen- vist hij mijn Dopper uit de gracht. Ik pak het ding van hem aan en trek een vies gezicht. Ik vraag me af of ik ‘m ooit weer schoon kan krijgen. Ik haal mijn schouders op en gooi het ding in de prullenbak.
‘Eeei wijffie, wat doe je nou? Waarom most ik dat kolereding dan opheise?’
‘Hij was er in gevallen, sorry. Maar toch bedankt!’ Ik loop verder, het gemopper van de man negeer ik. Ja sorry, ik heb er nou eenmaal een hekel aan om spullen te laten slingeren. En ik heb er helemaal een hekel aan wanneer die rommel in de gracht gedumpt wordt. 

Ik loop verder… maar waarheen eigenlijk? Waar heb ik in vredesnaam mijn auto neergezet. Ik weet het echt niet. Hoe ik ook pieker, ik kan er niet opkomen. Dan opeens begint mijn horloge te flikkeren. Een kitschding wat ik waarschijnlijk ooit eens heb gekregen. Ja, ik moet het wel gekregen hebben, want het koperen ding met de barokke krullen is zo lelijk dat ik het nooit zelf gekocht zou hebben. Eerlijk gezegd verbaast het me dat ik hem om heb gedaan. Maar goed, nu komt het afzichtelijke ding goed uit. Er zit GPS en internet op namelijk. Bovendien waarschuwt hij me voor naderend onheil. Ik kijk op het display. ‘overschrijding parkeertijd: 0H:45’ en met gele letters die steeds oplichten: bijladen, bijladen, bijladen!’ Dit moet het horloge van mister BigBrother himself zijn, denk ik. Hoe weet dit klokje dat mijn parkeertijd is verstreken. Ik kan me niet herinneren dat ik iets heb ingevoerd bij de parkeerautomaat. Ik kijk nog eens op het display en zie nu ook een plattegrondje verschijnen. Klein, maar het is te lezen. Tjonge dat is toch wel geweldig. Nadat ik het schermpje iets heb vergroot zie ik dat de pijl wijst naar de Haarlemmer Houttuinen. Omdat ik nog niet helemaal vertrouw op het digitale frutsel om mijn pols, besluit ik het een mevrouw vragen die me tegemoet komt lopen. ‘Oh ja, de Haarlemmer Houttuinen, natuurlijk ken ik die’ en ze wijst me hoe ik moet lopen. Eerste weg links, na honderd meter rechts, dan de tweede zijstraat nadat u voorbij de muziekschool op de hoek….ze vertelt langs haar neus weg dat ze op die muziekschool jaren les heeft gegeven. ‘Maar dat vindt u natuurlijk helemaal niet interessant, ik draaf ook maar een beetje door,’ zegt de vrouw. En ze heeft helemaal gelijk, het feit dat zij muziekjuf is, boeit mij inderdaad niet. Maar dat zeg ik natuurlijk niet. Ik bedank haar vriendelijk en loop in de richting die zij mij gewezen heeft. De eerste weg links en dan na honderd meter rechts, dat weet ik nog, Daarna ben ik in de brei van woorden haar aanwijzing kwijtgeraakt. Ik besluit de aanwijzingen op mijn slimme horloge te volgen en weer kijk ik op mijn display. ‘overschrijding parkeertijd: 1H:35, bijladen, bijladen, bijladen,’ gevolgd door reclame van Holland Casino. Toch een gratis gadget geweest waarschijnlijk. Gelukkig verschijnt  het plattegrondje weer. Vol vertrouwen loop ik in de richting van de pijl. Meer dan een anderhalf uur is mijn parkeertijd al verstreken. Dat zou zomaar in de papieren kunnen lopen. Ik hoop dat de parkeerwachten van Amsterdam een beetje mild voor me zijn.  
Na nog een halfuur lopen flikkert mijn horloge opnieuw op ‘bestemming bereikt.’ Ik kijk om me heen en zie nergens een parkeerplaats, laat staan mijn auto. Wel sta ik voor het gebouw van Holland Casino.


Ik kijk opzij en zie de groene cijfers op de display van mijn wekker, ik draai me om.
‘Wakker?, vraagt mijn man. ‘Wat was je toch aan het woelen?’
‘Ik was in Amsterdam en wist niet waar ik de auto had geparkeerd.’
‘Waarom heb je mij dan niet gevraagd?’
‘Je zou het ook niet geweten hebben, waar staat hij dan?’
‘Het is toch jouw droom’
‘Zie je wel, ik zei het toch. Jij weet het ook niet.’